dinsdag 22 mei 2018

Planten zonder vader

Hoewel het nog lente is, maken de eerste planten al zaad. De tulpen in mijn tuin hebben hun mooiste tijd gehad en de bladeren verdorren en vallen af. De groene zaaddozen worden zichtbaar. Het heldere geel van de paardenbloemen heeft plaatsgemaakt voor een mooie bol met pluis. Beide soorten doen aan ongeslachtelijke voortplanting, ofwel voortplanting waarbij slechts één ouder betrokken is. Onze prachtige bloeiende bollenvelden zijn daarvoor bedoeld. Ze zijn er niet om onze ogen te strelen met hun kleurenpracht maar feitelijk zit het belangrijkste deel van die tulpenvelden onder de grond. De tulpen worden op het hoogtepunt van hun bloei afgesneden en nadat het loof is afgestorven, worden de bollen gerooid. Die hebben zich inmiddels opgesplitst in kleinere bolletjes waarvan de grootsten volgend jaar weer zullen bloeien. Die bolletjes zijn dus klonen van de moeder. Om nieuwe tulpenrassen te kweken is er overigens wel geslachtelijke voortplanting nodig. Dan breng je genetisch materiaal van een vader (stuifmeel) op een stamper (moeder) over, vaak doen veredelaars dat handmatig om niets aan het toeval over te laten. Het vruchtbeginsel van de moederplant ontwikkelt zich tot een zaaddoos. In het najaar zaait de veredelaar het zaad en dan moet hij zo'n zeven jaar geduld hebben eer hij het resultaat van zijn kruising goed kan beoordelen. In het tweede jaar worden de eerste bolletjes geoogst, maar het duurt zeker tot het zesde jaar eer de eerste tulpenbloem zichtbaar wordt bij sommige zaailingen, het jaar daarna zijn zo'n beetje alle zaailingen in bloei en kan de kweker kijken of er iets goeds bij zit. Dan moet hij nog productie gaan maken om te zorgen dat hij voldoende bollen heeft om te verkopen. Het duurt vaak 15 jaar van zaad tot verkochte bollen.


Bij de paardenbloem is er sprake van ongeslachtelijke voortplanting via zaad, met andere woorden: de bloem hoeft niet bestoven te worden om zaad te vormen. Dat betekent dat het genetische materiaal van de bloem alleen afkomstig is van de moeder. Er zijn dus nauwelijks genetische verschillen tussen die paardenbloemen, maar ze kunnen qua vorm wel iets van elkaar verschillen. Ze worden daarom microsoorten genoemd en zijn voor een leek niet van elkaar te onderscheiden. In Nederland zijn er ruim 250 microsoorten in kaart gebracht door specialisten.
In het filmpje kun je deze keer genieten van vergane tulpenglorie en zaadpluis in het late avondlicht. E-mailabonnees kunnen hier klikken om het filmpje te bekijken.




Eén van mijn volgers op Youtube, heeft een timelapsefilmpje gemaakt van de ontwikkeling van de zaadbol van de paardenbloem. Je ziet hoe de zaadbodem zich van hol naar bol vormt waardoor het pluis uiteindelijk in een mooie ronde bol komt te staan. Bekijk hier het filmpje van Rüdiger Hartmann.

zaterdag 12 mei 2018

Het drijfnest van de fuut

Vanuit ons vakantiehuis aan het Paterswoldsemeer zagen we regelmatig een futenpaar dat duidelijk op liefdespad was. Eerst moest er nog een rivaal verslagen worden, maar al snel was het paartje onafscheidelijk. Het baltsgedrag van de fuut bestaat uit het zogenaamde kopschudden, soms met opgezette verenkrans rond het hoofd. Ook bieden de partners elkaar wier aan, en komen daarbij af en toe uit het water omhoog. Ik heb veel tijd en filmminuten gebruikt in een poging om dat laatste vast te leggen, maar de hele week heb ik het ze geen enkele keer zien doen. Maar het kopschudden kon ik regelmatig vastleggen, onder andere op een mooie ochtend met mist over het meer. Tegen het eind van onze vakantieweek begonnen ze met de bouw van hun nest. Toen we weggingen was het nest niet af en het was ook onduidelijk of ze door zouden gaan met bouwen op die locatie. Misschien wilden ze nog even van hun 'verlovingstijd' genieten :). Futen maken drijfnesten, net als drie andere vogelfamilies: de rallen, jacana's en moerassterns. Al met al gaat het om 175 soorten uit deze families die op deze manier op het water broeden. Een drijfnest biedt bescherming tegen nestrovers die op het land leven, maar een ei of jong valt makkelijk uit het nest in het water. Daarom komen de jongen al ver ontwikkeld uit het ei en zijn de ouders erg beschermend. Niet zelden zie je een jong tussen het verenpak van een oudervogel uitpiepen. Het nest wordt gebouwd met plantenmateriaal dat luchtkamers bevat, zodat het goed blijft drijven. Het wordt verankerd aan oevervegetatie maar kan op en neer gaan met het waterpeil.
Soms wordt er zoveel materiaal verzameld dat het nest rust op de bodem, maar andere keren is het echt een drijvend platform. In de film zie je dat de futen nog bezig zijn met de basis en vooral takken aanslepen. Futen duiken het bouwmateriaal op binnen 50 meter van het nest. Samen werken de futen hard om te duiken naar het materiaal. Met observaties is vastgesteld dat ze binnen een uur 100 keer materiaal aanvoerden.

In het filmpje kun je behalve de baltsende en nestbouwende futen nog andere vogels zien, zoals nijlganzen, een scholekster, aalscholver, zwaluwen en meeuwen.

E-mailabonnees kunnen hier klikken om het filmpje te bekijken.




Eric van Roon heeft de futenbalts fotografisch heel mooi vastgelegd, kijk maar eens op zijn site eye4forbirds.

dinsdag 8 mei 2018

Natuur op Landgoed Vennebroek

Onlangs hebben we een week doorgebracht op de grens van de provincies Groningen en Drenthe, aan het Paterswoldsemeer. De omgeving heeft van alles wat: meren om op te varen, een waterbergingsgebied met hoge natuurwaarde (de Onlanden) waar je heerlijk kunt fietsen en een landgoederengordel met allerlei wandelroutes. Op een zandrug ten zuiden van de stad liet de Groninger elite in de tweede helft van de 18e eeuw een achttal landhuizen bouwen. Eén daarvan is Landgoed Vennebroek, 17 ha parkbos en natuur met prachtige eiken- en beukenlanen. Grauwe en Canadese ganzen hadden al kleintjes, we zagen visdiefjes over het water scheren en een knoepert van een rups kruiste ons pad. Het beestje was al gauw 10 centimeter lang en zo dik als een vinger. Hier hadden we te maken met een rups uit de houtboordersfamilie: kaal en met een made-achtig uiterlijk. De kleuren waren nogal opvallend: donkerrood van boven en naar de zijkanten toe wat meer oranje/roze met zwarte accenten op de kop, dit is de wilgenhoutrups.
Hoewel ze de naam houtboorder hebben, kunnen ze niet zo maar een gat in elke boom boren. Uit onderzoek is gebleken dat onbeschadigde schors door jonge rupsjes niet door te knagen is. De eitjes worden dan ook gelegd in verse wonden, waar het cambium (de dunne laag tussen schors en het kernhout waar water- en voedseltransport van de boom plaatsvindt) aan de oppervlakte ligt. Pas uit het ei gekomen rupsjes kunnen 6 dagen zonder eten omdat er blijkbaar niet altijd meteen voedsel beschikbaar is. De vele eitjes worden ook vaak afgezet in gaten waar al rupsen van de wilgenhoutrupsen zitten, dan vinden we rupsen van verschillende leeftijden in het hout. De kleine rupsjes blijven 18-22 maanden in het cambiale deel van de boom, ze zijn dan 3,5 centimeter lang. Daarna boren ze zich een weg in het kernhout. Op dat moment zijn ze overigens ook in staat om door de schors van een niet beschadigde boom heen te knagen, zo hebben proeven aangetoond. Omdat het hout weinig voedzaam is, moeten ze op dat moment vaak nog een jaar of twee 'doorknagen' om een volwassen rups te worden.
By Orchi, from Wikimedia Commons
Aan de voet van de boom vind je dan zaagsel dat uit de boorgaten valt. Veel dieren verpoppen in de boom en krijg je niet te zien voor ze als bruine vlinder, met camouflagestreepjes zodat ze op boomschors lijken, te voorschijn komen. Sommige rupsen zoeken echter een ander plekje om te verpoppen, zoals bij het 'overstekend wild' dat wij aantroffen. En dan maar hopen dat er geen vogel langskomt die trek heeft in een flinke snack, want dan zijn al die jaren voor niks geweest. De vlinders hebben nauwelijks monddelen en eten niet meer. Zorgen voor nageslacht is het enige dat hen nu nog bezighoudt.


In het filmpje zie bovengenoemde dieren en veel bloeiende planten en bomen op het landgoed. E-mailabonnees kunnen hier klikken om het filmpje te bekijken.



vrijdag 27 april 2018

Zoemende hommels en ander klein spul

Na de 'groenexplosie' is nu ook het insectenseizoen goed begonnen. Hommels, vlinders, bijen en zweefvliegen zoemen rond longkruid, smeerwortel, vergeet-me-nietjes en paardenbloemen in de tuin. Al jaren doe ik mijn best om te kijken wat voor insecten het precies zijn. De soorten lukken aardig: zweefvliegen hebben maar één paar vleugels, korte antennes en kunnen 'stilstaan' in de vlucht. Hommels zijn trager, groter, hebben twee paar vleugels en zijn sterk behaard. Daarom kunnen ze al vroeg in het voorjaar vliegen. En dan heb je nog een eindeloze reeks kleine bijtjes waar bij mij elke keer de verwarring toeslaat. Wat de hommels betreft beperkte ik de determinatie meestal tot het vroege voorjaar. Dan vliegen alleen de koninginnen, die groter zijn dan de andere hommels (werksters en mannetjes) die later in het jaar opduiken. Dan wordt het moeilijker omdat ze van formaat verschillen en er ook allerlei kleurvariaties zijn. EIS, Kenniscentrum Insecten, heeft nu een handig basisboekje gemaakt voor het determineren van hommels. Het is gratis te downloaden, klik hier om naar de betreffende pagina op hun website te gaan. In de inleiding van het boekje las ik dat de beginnende hommelwaarnemer een aantal stappen doorloopt. Het begint met naïviteit: je denkt: zo moeilijk kan het toch niet zijn.... Dan komt de frustratie: je ziet hommels waarvan je niet zeker weet welke soort het is. Vervolgens is er wanhoop: je twijfelt aan wat je gisteren zeker wist. Stug doorgaan, dan komt de fase van herwonnen vertrouwen: de meeste hommels herken je snel en af en toe weet je het niet. Tenslotte bereik je de fase van wijsheid: je herkent vrijwel alles en vindt het niet erg als er eens iets onbekends tussen zit. Afijn, lees het boekje maar eens, trek er op uit of ga lekker in een stoel zitten in je tuin en bekijk in welke 'hommelfase' jij zit. Ik meen in ieder geval vrij zeker te weten dat de hommel in onderstaand filmpje een akkerhommel is :). Daarnaast zie je op het hout een 'wiebelkontje', dat is een zandbijtje met de naam 'vosje'. En het insect met de lange zuigsnuit is een zweefvlieg: de wolzwever. Beide zijn vrij algemeen in tuinen, dus grote kans dat je ze tegenkomt. De vlinders zijn (in volgorde van opkomst) het klein geaderd witje en het bont zandoogje.


E-mailabonnees kunnen hier klikken om het filmpje te bekijken.



zondag 22 april 2018

Bloeiende bomen

Een afgevallen populierenkatje, windbestuiver
Het voorjaar is de tijd van de voortplanting in de natuur. Dat geldt niet alleen voor dieren, maar ook voor bomen. Die maken nu niet alleen blad, maar ook bloemen aan. Wanneer die bloemen aan de takken komen, hangt af van de manier waarop de bestuiving plaats vindt. Sommige bomen vertrouwen daarbij op de wind, andere maken gebruik van hulpjes, meestal insecten. De bomen die gaan voor de windbestuiving maken bloemen aan vóór de bladeren ontluiken. Hoe meer de wind vrij spel heeft, hoe beter. Meestal hebben die bomen katjes, die enorme hoeveelheden stuifmeel verspreiden. De kans dat het stuifmeel precies op de stamper van de vrouwelijke bloemetjes terechtkomt is heel klein, dus moet er groots uitgepakt worden. Vijf tot zes miljoen stuifmeelkorrels per katje is heel gebruikelijk. En dat keer de honderden katjes die aan een boom bungelen. Sorry voor de hooikoortspatiënten.....


Andere bomen zijn wat zuiniger met het stuifmeel, maar maken ook een lekkernij aan voor hun hulptroepen: met nectarklieren produceren ze een zoete vloeistof die suikers bevat (glucose, fructose en sacharose) en kleine hoeveelheden proteïnes, vitamines en smaakstoffen. Deze 'brandstof voor insecten' trekt bestuivers aan. De hoeveelheden nectar per bloem zijn beperkt, zodat de bijen en andere insecten genoodzaakt zijn om veel verschillende bloemen te bezoeken voor een behoorlijke portie. Terwijl ze van bloem naar bloem vliegen nemen ze stuifmeel mee en bestuiven zo de stampers.
Hommel met stuifmeel in korfje
Voor de bijen en hommels is niet alleen de nectar, maar ook het stuifmeel belangrijk. Stuifmeel is de voedselbron voor hun larven. Ze verzamelen dat vaak in 'korfjes' op hun poten. Je ziet dan dat ze gele of bruine bolletjes meevoeren.


In onderstaand filmpje zie je ontluikende bladeren en bloemen van veel verschillende bomen. De namen van de bomen staan erbij.


E-mailabonnees kunnen hier klikken om het filmpje te bekijken.





zaterdag 14 april 2018

Zwangere kikkers

Ook in en rond het water zijn de lentesignalen niet te missen. Kleine watersalamanders zijn op liefdespad. Daarover schreef ik al eens in mijn blog van 16 mei 2017. In mijn tuinvijver verschijnen ook de vrouwtjeskikkers met hun opgezwollen buiken, vol met eitjes. Ze wachten op een mannetje dat hun eitjes bij het verlaten van hun lichaam kan bevruchten. Dan ontstaat er een klomp kikkerdril, dat aan de oppervlakte van het water blijft drijven om zoveel mogelijk te profiteren van de zonnewarmte in het vroege voorjaar. Het water zelf kan nog behoorlijk koud zijn. Naarmate de kikkervisjes zich in het ei ontwikkelen zakt de klomp in en zie je de vorm van het jonge kikkertje veranderen. Onlangs las ik op de site van NEMO kennislink dat kikkers meer met zwangerschap te maken hebben dan ik dacht. Uit de publicatie van het Leids Universitair Medisch Centrum op die site bleek dat kikkers vroeger werden gebruikt als zwangerschapstest. Hierbij maakten ze gebruik van de eigenschap van kikkers dat ze van kleur kunnen veranderen onder invloed van hormonen. Bij groene kikkers werd de hypofyse verwijderd, waardoor de kikker geelwit werd. Wanneer de kikker werd ingespoten met de urine van een zwangere vrouw kwam de groene kleur terug. In de jaren 50 en 60 bestond daar een speciaal instituut voor dat Rana heette (dat is Latijn voor kikker). Als de urine 's ochtends naar het lab werd gebracht, kreeg je 's middags al de uitslag en dat kostte 10 gulden (zo'n 4,5 euro).
Gelukkig hebben we daar tegenwoordig geen kikkers meer voor nodig, zwangerschapstesten maken nu gebruik van bepaalde stoffen uit konijnenbloed. Misschien niet zo rigoureus als het werken met die kikkers, maar nog steeds niet diervrij. In mijn filmpje kun je een kikker zien die door mensen met rust gelaten wordt. Toch is er een plaaggeest aan het werk, want het blijkt dat muggen niet alleen zoogdieren te grazen nemen, maar ook kikkers. Ik zag de mug om de kikker heen cirkelen. Ik bleef filmen want ik hoopte dat de kikker zijn tong uit zou steken om de mug te pakken, maar het omgekeerde gebeurde :). Op het wateroppervlak zie je vijverlopers, die door hun waterafstotende haren op het water kunnen lopen. Let goed op: eentje heeft een minuscule prooi te pakken!


E-mailabonnees kunnen hier klikken om het filmpje te bekijken.



dinsdag 10 april 2018

Een sperwer op bezoek

Een sperwermannetje, enkele jaren geleden
in onze tuin na een mislukte aanval op een prooi
Als ik thuiskom uit mijn werk, kijk ik routinematig even in de tuin welke vogels er op dat moment zijn. Meestal is dat de gebruikelijke verzameling mezen, tortels, vinken en mussen. Deze keer zat er iets groots en bruins op de pergola dat ik niet 1-2-3 kon thuisbrengen. Het bleek een sperwer te zijn, een prachtig vrouwtje. Zoals bij veel roofvogels is een vrouwtjessperwer minimaal een kwart tot soms wel de helft groter dan het mannetje (dat maar twee keer zo zwaar is als een spreeuw). Ik vroeg me af wat ze daar op de pergola zat te doen, want 'zo maar zitten' doen sperwers niet. Ze verrassen hun prooien vanuit een snelle vlucht, laag bij de grond, plotseling opduikend van achter een heg of met een scherpe bocht de hoek om. Sperwers halen daarbij makkelijk een snelheid van 30-40 km per uur, met tijdelijke versnellingen van 50 km. De meeste prooien zijn kleine vogeltjes en daarmee vliegen ze weg. Dus meer dan een flits vang je meestal niet van ze op. Door hun kleinere omvang kunnen mannetjes alleen kleine vogels aan. Vrouwtjes pakken ook wel tortelduiven en soms nog grotere prooien: een houtduif, kauwtje, spreeuw of zelfs een meerkoet of fazant. Dat is dan wel een flink gevecht, want die zware prooien geven zich niet makkelijk gewonnen. Al met al zijn er zo'n 120 verschillende soorten vogelprooien waargenomen bij sperwers. Hiervoor zijn 10.000 prooien geanalyseerd. 97% bestond uit vogels, maar er zaten ook enkele vleermuizen bij!
Sperwervrouwtje in onze tuin


Ik had al wat filmbeelden van de vogel gemaakt toen ik zag wat ze daar zat te doen: haar prooi bewaken, die onder de pergola in het gras lag. Ze had een torteltje weten te verrassen en aan de poederdonsafdruk op het raam te zien, had ze de duif opgejaagd zodat die tegen de ruit was gevlogen. Wat daarna precies gebeurde is giswerk: misschien was de klap al fataal, of de duif was zo versuft dat de sperwer makkelijk kon toeslaan. In ieder geval waren al veel veren geplukt toen ik de prooi zag. Na een tijdje ging ze verder met eten en zo kreeg ik de kans om mooie filmbeelden te maken van deze roofvogel, die je anders nauwelijks voor de lens krijgt.


Binnenkort gaan de sperwers aan de slag om hun nest te maken, niet al te hoog in een boom, op een flinke tak tegen de stam aan. In mei worden drie tot zes eieren gelegd die ruim een maand bebroed worden. Als de jonkies uitkomen, zijn ook net jonge meesjes uitgevlogen, stapelvoedsel voor de jonge sperwers. Terwijl het vrouwtje voor de kleintjes zorgt, gaat het mannetje op jacht om kroost en moeder te voeden. Vier weken nadat ze uit het ei zijn gekropen verlaten ze het nest. Ze zoeken een eigen territorium, meestal binnen een straal van 20 km van hun geboorteplaats. Afhankelijk van de hoeveelheid voedsel die beschikbaar is, zijn de territoria tussen de 0,5 en 2 km groot. Daarbinnen dulden ze geen concurrentie. Sperwers komen in ons hele land voor, met uitzondering van plekken zonder bomen. Zelfs in de grote steden nestelen ze tegenwoordig.




Bekijk de etende sperwer in onze tuin in onderstaand filmpje. E-mailabonnees kunnen hier klikken om het filmpje te bekijken.




Ik plaats zelden filmpjes van anderen in mijn blog, maar deze keer een uitzondering voor dit BBC-filmpje waarin je ziet wat een geweldige vlieger een sperwer is. E-mailabonnees kunnen hier klikken om het filmpje te zien.







vrijdag 6 april 2018

Overspelige heggenmussen

Foto: Frank Vassen, wikimedia
Al in de winter kun je de zang van de heggenmus horen, vaak het eerste moment dat het vogeltje überhaupt opvalt in je tuin. Heggenmussen zijn geen familie van de huis- of ringmus, maar het kleurenpalet van hun veertjes is niet veel anders: grijs met zachtbruin. Het verenpatroon is wel anders, met zwak gestreepte zijkanten en een bruinzwart gestreepte bovenkant. Waar mussen dikke snavels hebben om zaad mee te eten, verraadt het spitse dunne snaveltje van de heggenmus dat we hier te maken hebben met een insecteneter. De afgelopen week zong de heggenmus in mijn tuin volop. Regelmatig zag ik er twee, dus ergens zullen ze binnenkort wel een nestje maken. Grote kans dat het dan niet bij twee heggenmusjes blijft, want vaak mondt zo'n nest uit in een trio. Een paartje laat namelijk vaak een tweede mannetje toe in het territorium. Het dominante mannetje zit daar eigenlijk niet op te wachten, maar het vrouwtje bepaalt dat zo'n tweede (minder dominante) man wel handig is. Hoewel het dominante mannetje dat probeert te verhinderen, paart ze met allebei. Dat paren gebeurt een groot aantal keren, 1-2 keer per uur, gedurende een dag of 10. Voor de paring pikt het mannetje het vrouwtje in de cloaca (het geslachtsorgaan waar ook de eieren en de uitwerpselen uit komen). Dat zorgt er voor dat er eventueel zaad van een voorganger uit haar cloaca komt en dat de kans groter is dat juist hij de vader wordt van het nageslacht. Arend Vermazeren is er in geslaagd dat moment op foto vast te leggen.

Foto: Arend Vermazeren, wikimedia
Maar wat is nu het nut van het tolereren van zo'n tweede mannetje? Allereerst proberen de heggenmussen daarmee te voorkomen dat het tweede mannetje het legsel gaat vernielen om zo zelf met het vrouwtje te kunnen paren. En daarnaast helpt het tweede mannetje een snaveltje bij het verzorgen van de kleintjes die uit het ei kruipen. Overigens kan het dus ook zo zijn dat die twee mannetjes elders nog een liefje hebben, waarbij ze ook voor een deel van de broedzorg opdraaien. Wie dan precies de vader is van welk kleintje, blijft een raadsel.


In mijn filmpje hoor je de heggenmus uitbundig zingen, het klinkt als een 'piepend wieltje'. Verder hoor je de luide trillers van het winterkoninkje, het pompende liedje van de koolmees en het gekwetter van de spreeuw.
E-mailabonnees kunnen hier klikken om het filmpje te bekijken.



Bloeiende katjes

In mijn blog van 11 maart besprak ik de thermojasjes van de wilgenkatjes. Inmiddels zijn we een paar weken verder en de wilgenkatjes zijn nu gaan bloeien. Je kunt ze zien in onderstaand filmpje, te samen met bloeiende sleedoorn (wit) en gele kornoelje. Het was koud en nat, waardoor er geen insecten zoemden rond deze vroege voedselbron.
E-mailabonnees kunnen hier klikken om het filmpje te bekijken.








vrijdag 30 maart 2018

Boomkruiper tussen het eerste lentegroen

Ondanks de grillige weersomstandigheden van de afgelopen tijd, zijn er toch al wat sprietjes groen te zien. De meidoorn is een van de eerste struiken die uitloopt en tussen de stekelige takken verschijnen de frisgroene blaadjes. Dicht bij de grond bloeien de eerste bloemen, zoals de gele sterretjes van het speenkruid en stinzenplanten zoals sneeuwklokjes en sterhyacintjes. Een troep koperwieken zat zachtjes te 'babbelen' in de bomen en een specht was driftig op zoek naar iets eetbaars in de schors van een boom. Een gaai had nog een eikel opgediept en liet hem zich goed smaken. Tussen dat alles was een onopvallend vogeltje ook bezig een maaltje te zoeken: een boomkruiper baande zich een weg omhoog langs de stam van een boom. Het beestje heeft een helderwit buikje maar is van boven goed gecamoufleerd met een bruin gemêleerd verenkleed, zodat zijn verschijning wegvalt tegen de schors van de boom. In deze tijd van het jaar verraadt hij zich door zijn roep die omschreven wordt als ’tie tru-ie trie trie’, ik denk dat hij zingt 'dit-is-mijn-boom', waarbij boom er tamelijk hoog uitkomt. Beluister de zang zelf via deze link en bedenk dan je eigen ezelsbruggetje (op de achtergrond van die opname hoor je overigens een vink). Al kruipend zoekt de vogel insectjes in de boomschors. Hiervoor heeft hij korte pootjes en lange nagels voor een goede grip. Hij heeft maar liefst 12 stijve staartveren als hulp bij het klimmen. Vaak zijn de punten wat gerafeld omdat ze slijten op de onregelmatige boomschors. Ook de boomklever loopt over de stam, maar die kan ook naar beneden lopen.
Foto: Andreas Eichler, CC BY-SA 4.0, Wikimedia
Dat lukt de boomkruiper niet, als hij boven is vliegt hij naar beneden, vaak naar een andere boom. Het vogeltje heeft het formaat van een winterkoninkje maar door zijn langgerekte staart en snavel lijkt hij groter. Toch kan hij zich in kleine gaatjes manoeuvreren. In de winter overnacht hij in schorsgaten waarbij hij zich letterlijk in de spleet perst zodat zo min mogelijk warmte verloren gaat. De nestkastjes voor boomkruipers hebben geen rond gat aan de voorzijde maar een spleet aan de zijkant. Een paar jaar geleden hadden boomkruipers een nestje gemaakt onder de houten rand van het dak aan de zijkant van het huis. We zagen ze over de bakstenen kruipen en in de smalle ruimte verdwijnen tussen het hout en de muur. Na een week of drie broeden kwamen de jonkies uit het ei. Ook zij kropen over de muur, waar ze nog een paar weken werden gevoerd door de ouders. Helaas had ik toen nog onvoldoende zoom op mijn camera om dit vast te kunnen leggen. Je kunt boomkruipers overal tegenkomen waar bomen staan, zelfs langs de Amsterdamse grachten. Deze standvogels zijn het hele jaar te zien. Het is wel een kwestie van goed opletten. Je ziet de boomkruiper in mijn filmpje vanaf 1 minuut 59.


E-mailabonnees kunnen hier klikken om het filmpje te zien.